Vietnam heeft ons in één reis compleet ingepakt. Het land strekt zich als een lange S uit over 1.600 kilometer en op die afstand veranderen landschap, keuken en cultuur zó ingrijpend dat het einde van je reis aanvoelt als een compleet ander land dan het begin. Wij begonnen in Hanoi met chaotische scooterhoorns en egg coffee, en eindigden drie weken later met een biertje op een rooftop in Saigon, tussen die twee momenten liggen kalksteenkliffen in Halong Bay, goudgele rijstterrassen in Sapa en lantaarnverlichte steegjes in Hoi An.
Waar Vietnam wat ons betreft écht wint, is aan tafel. Pho voor je ontbijt, banh mi tussendoor, bun cha in Hanoi (Obama-stijl, op een plastic krukje), Vietnamese ijskoffie met gecondenseerde melk als middagoppepper: wij aten drie weken lang bijna elke maaltijd op straat en de rekening kwam zelden boven de €3. Elke provincie heeft een eigen specialiteit en zelfs Vietnamezen zelf reizen kriskras door hun land om die op te zoeken.
En dan de portemonnee. Vietnam blijft een van de meest betaalbare bestemmingen in Azië: met €30–€50 per dag leef je heel comfortabel. Wij sliepen in fijne boutique hotels voor €25–€40 per nacht, namen de nachttrein of sleeper bus voor lange stukken (€15–€25) en boekten een tweedaagse cruise in Lan Ha Bay voor onder de €100. De vlucht vanuit Amsterdam duurt circa 12 uur met tussenstop.
Onze reistip: plan noord naar zuid (of andersom) in februari–april of oktober–november. Dan is het noorden droog en koeler, het centrum vermijdt het tyfoonseizoen (september–november) en het zuiden voelt niet als een sauna. Wij zaten begin maart in Sapa met heldere ochtenden boven de mist, dat blijft ons Vietnam-moment nummer één.