Bali is zo'n eiland waar je twee weken voor plant en drie maanden voor terugkomt. Het klinkt cliché, maar het klopt. Binnen een uur na landing zit je in een taxi die naar wierook ruikt, stap je over een canang sari van bloemblaadjes en glimlacht een oma naar je alsof ze op je zat te wachten. Bali is geen bestemming die je afwerkt, Bali is een eiland dat je op zijn eigen tempo doorlaat.
En Bali is groter dan je denkt. De meeste eerstegangers zien alleen Kuta en concluderen dat het eiland één grote bierpul is. Wij snappen dat, maar het is jammer. Rijd een uur landinwaarts naar Ubud en je zit tussen rijstterrassen met tempels erdoorheen. Nog een uur oostelijk en je bent in Sidemen, waar je een middag lang geen andere toerist tegenkomt. Canggu is hip en druk en fantastisch voor smoothiebowls; Uluwatu is ruig, klifhoog en heeft de beste sunsets van heel Azië. Voeg daar Nusa Penida bij (die T-Rex klif is écht zo bizar als op Instagram), Amed voor duikers en Lovina voor dolfijnen, en je snapt waarom drie weken nog kort voelt.
Wat het zo verslavend maakt: prijzen die niet kloppen met wat je krijgt. Een nasi campur in een warung: €2. Een homestay met zwembad en rijstveldzicht: €35. Een privéchauffeur die je een hele dag rondrijdt en fotostops maakt: €40. Bezienswaardigheden zijn vaak gratis of €2 entree. Bali is een van de weinige eilanden waar comfort en budget elkaar niet uitsluiten.
Onze eerlijke mening: sla Kuta en Legian over. Ze bestaan, maar de rest van Bali is beter. Begin in Canggu of Seminyak voor de landing, ga dan naar Ubud voor de cultuur, sluit af in Uluwatu of Sidemen voor de rust. Vluchten vanaf Amsterdam duren 14-16 uur met tussenstop in Singapore, Doha of Dubai (€600-€900 retour). Tijdsverschil 6 uur, de jetlag valt mee. En als Nederlander krijg je bij aankomst je Visa on Arrival (€30) zonder gedoe. Simpeler wordt het niet.